|
Close to Home
In de reeks ‘Close to Home’ gaat Stef Renodeyn in op zijn directe leefomgeving. Dit gebeurt door een soms hardnekkig ‘ter plaatse blijven’. De beelden ontstaan vanuit een 'afdalen' in de beperkte vierkante meter van het eigen bestaan. Hierdoor vindt een proces van ‘opdrogen’ plaats. Ofschoon veel dingen dan verwaaien, lijkt er ook steeds iets nieuws te ontstaan. Het lijkt een blik te zijn die voortdurend omgesmolten wordt en dit ondanks de ‘stilstand’.
Renodeyn trekt er slechts zelden op uit met het toestel in de aanslag, speurend naar interessante beelden. Veel foto’s zijn ontstaan niet vanuit een beeldenjacht, maar vanuit een plotseling 'zien'. Plaatsen waar hij al jaren langsloopt, soms meerdere malen per dag, kunnen plots anders zijn. Maar hiervoor moeten beelden en indrukken op het netvlies gebrand, ontdaan zijn van hun exotische impact. Dat kan gebeuren door een langdurig ‘aankijken’, blootstellen en wachten. Paradoxaal genoeg kan er voor hem dikwijls pas dan iets ‘nieuw’ ontstaan. Soms is pas dan de tijd rijp voor een opname. Dan keert hij terug met zijn toestel. Dit is echter geen beproefd recept of een methode. Bij het langdurig blootstellen voorafgaand aan het fotograferen is het zien er ‘plotseling’ in letterlijke zin. Het is dus toch alsof hij iets voor de eerste maal ziet zonder voorafgaand proces. Dit ‘zien’ mag echter niet een eindpunt betekenen, het is eerder elke keer een begin. Al evenmin mag het bij een passief schouwen blijven. Net hier moet een daad gesteld worden, een handelen, een scheppen. Het beeld dat uiteindelijk ontstaat als fotografisch resultaat, geldt niet alleen als residu (letterlijk ‘afdruk’) maar ook als iets totaal nieuws, vaak ontstaan precies daar waar de werkelijkheid doodgedrukt leek.
Op andere momenten gaat hij via concepten op zoek naar dit nieuwe en onverwachte, omdat ook dit hem dwingt de gewone blik - die haast altijd naar exotisme verlangt - los te laten. Maar nieuw en onverwacht staan voor hem haaks op exotisme. Zo fotografeert hij alle doodlopende straten binnen zijn periferie (plekken waar het ook letterlijk ‘doodloopt’ en dus voor niemand het bezoeken waard lijken) of zogenaamde ‘last spaces’; oningevulde plekken in het gestructureerde moderne landschap. Het saaie en haast onzichtbaar banale vormen ook hier vaak de leidraad die naar het onverwachte leiden.
Zijn beelden vermijden het anekdotische of verhalende. Renodeyn spreekt eerder van een object dat voor zijn geestesoog tot leven komt. (Een landschap kan voor hem ook een ‘object’ zijn.) Vaak keert hij pas later terug in een poging dit ‘scherper’ te stellen op een moment dat het hem uitkomt; zo houdt hij van fel zonlicht tegen een heldere, bij voorkeur wolkenloze lucht. Het fotograferen is bij hem dus niet altijd verbonden aan het moment van ‘zien’. Bij andere objecten gebruikt hij dan weer flitslicht wat hun karakter soms radicaal transformeert en maakt hij nachtopnames. Hij probeert voor zichzelf de grenzen te verleggen van een fotografie die goed is in het uitzonderlijke, door in de banaliteit door te dringen.
De kans op zowel mislukking als welslagen is voor hem even groot als er gefotografeerd wordt. Het is een scheppen zonder rekenschap of zekerheid. Zelfs in het digitale tijdperk is Diane Arbus’ eenvoudige credo voor hem van toepassing: ‘Een foto is steeds beter of slechter dan verwacht.’ Hij is vooral anders. Wat er op te zien is, was onzichtbaar voor het blote mensenoog toen hij ter plekke was. Hij heeft dan ook de neiging zich te onttrekken aan het feit dat hij verantwoordelijk zou zijn voor een beeld. Dit gebeurt naar eigen zeggen door de onbegrijpelijke werking van het medium, dat ‘hem meevoert’ in plaats dat hij het controleert. Zo is het fototoestel voor Renodeyn een entiteit op zich en minder een verlengstuk van zichzelf. Zichzelf , het toestel en het onderwerp ervaart hij als een soort drie-eenheid. Volledig onafhankelijk en toch radicaal verbonden. Fotograferen beschouwt hij, net als elke authentieke kunstvorm, als een ‘creatio ex nihilo’. Hij ziet zichzelf dan ook eerder als beeldend kunstenaar. Er is deze uitspraak van Paul Klee: ‘Beeldende kunst toont niet het zichtbare maar maakt zichtbaar.’ Renodeyn doet hier een poging toe. Dit biedt een interessant spanningsveld voor wie in dit geval de fotografie als medium neemt, omdat juist deze zo sterk met de werkelijkheid en het zichtbare verbonden lijkt. Voor Renodeyn is ‘ het smaken van het ongrijpbare en onnoembare’ verbonden met de strikte, zakelijke wereld met zijn niet te ontkennen wetten. Beide doordringen elkaar.
Eens de opname gemaakt is, sterft deze eigenlijk. Elk beeld op zich vervliegt terug. De interesse in het eigen beeldmateriaal is dan ook momentaan te noemen. Er is slechts sprake van bevrediging in termen van seconden. De foto is er dan alleen nog in dienst van de potentiële toeschouwer. Het is deze toeschouwer die het werk op zijn beurt nieuw leven zal inblazen. Renodeyn zelf staat ondertussen al op uitkijk naar iets nieuw. Dit 'andere' zal zich volgende maal op even onverwachte als unieke manier openbaren. De beelden komen dan ook net als het krampachtig willen vangen wordt losgelaten. Hij mag juist geen fotograaf zijn om fotografisch te kijken. Hij moet wachten om foto’s te maken ondanks zijn honger. De beelden zijn ontstaan uit de zoektocht naar een troost die niets hem kan schenken.
De foto’s in de reeks ‘Close to Home’ dragen geen titels. De enige vermelding zijn de coördinaten van de plek waar de opname gemaakt is. Dit dient verschillende redenen: als uitdrukking van Renodeyns verlangen naar duidelijkheid en zekerheid (en de ervaring dat die onmogelijk te vinden is of alleen op een manier die hem beklemt), een verwijzing naar het gegeven binnen de kunstenaar tussen poëzie en behoefte aan analyse en duidelijkheid (het eerder vermelde onnoembare en het zakelijke) en ten slotte de mogelijkheid de toeschouwer te betrekken in het fotografische gebeuren. Ze dienen namelijk ook als uitnodiging om de plekken zelf te bezoeken. De toeschouwer zal dan niet alleen zien dat het getoonde beeld radicaal anders is dan de werkelijkheid, hij of zij zal deze plek ook met eigen ogen bekijken en op een ander moment dan de opname. Vele plekken zijn ondertussen ook radicaal veranderd. Zoals vaak bij fotografie is er dus ook een historische dimensie. Er wordt dus als het ware een ‘meervoudige’ beleving aangereikt.
|